Krimp en erfgoed

Krimp en erfgoed. Journalistiek onderzoek naar de rol van erfgoed in regio’s met bevolkingskrimp. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, december 2011.

Download de pdf: Martin Woestenburg Krimp en erfgoed

 

Krimp en erfgoed

Door Martin Woestenburg

December 2011

Het schrikbeeld van krimp kennen Nederlanders uit het buitenland. Verlaten dorpen en boerderijen, rijen dichtgetimmerde huizen, overgroeide wijngaarden en akkers, vervallen bedrijventerreinen en fabrieken. Geen bakker meer, geen dorpscafé, geen school. Het zijn allemaal tekenen dat het leven uit een regio is verdwenen met de mensen die er ooit woonden. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)[1] vraagt zich af wat krimp in Nederland betekent voor het erfgoed en wat erfgoed kan betekenen voor krimp. Om dat te onderzoeken, zijn gesprekken gevoerd met krimpexperts en erfgoedexperts, mensen van de dienst zelf, mensen met praktijkervaring in de krimpregio Parkstad en de provincies Limburg en Zeeland en Groningen, en onderzoekers en ontwerpers.[2] Daarnaast is goed gezocht naar de meest zinvolle literatuur over de relatie tussen krimp en erfgoed. Dit essay is hiervan een weerslag.

Krimp is dynamiek

Krimp ontstaat daar waar de bevolking niet meer groeit. De 21ste eeuw zal in de geschiedenis te boek staan als de eeuw waarin de bevolkingsgroei omslaat in bevolkingskrimp[3]. Voor de wereld als geheel zal de bevolkingsgroei rond 2075 overgaan in krimp, in het werelddeel Europa daalt het aantal inwoners al structureel sinds 2004. Nederland groeit nu nog en bereikt rond 2038 haar top met zo’n 17,5 miljoen inwoners, daarna daalt het inwoneraantal.

De bevolking krimpt niet alleen, maar verandert ook van samenstelling. De Europese Commissie onderscheidt vier demografische ontwikkelingen die bepalend zijn voor krimp: er worden te weinig kinderen geboren, de bevolking vergrijst, mensen leven langer, en de migratie van buiten de Europese Unie stijgt[4]. In Nederland neemt vanaf 2011 de bevolking onder de 65 jaar in aantal af, vanaf 2012 daalt ook het aantal huishoudens tot de 55 jaar, terwijl vanaf 2037 ook de woningvoorraad afneemt[5]. Ook de beroepsbevolking slinkt in krimpgebieden. Uit de jaarlijkse Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg blijkt dat werkgevers in de provincie vanaf 2015 moeite krijgen om werknemers te vinden.

Krimp is een dynamisch proces. In krimpgebieden neemt de bevolking in aantal af, het aantal ouderen neemt toe, jongeren trekken weg, veel voorzieningen zijn niet meer te betalen, de leefbaarheid wordt minder, er ontstaat leegstand, de beroepsbevolking neemt af door vergrijzing en migratie, en zo worden er nog minder kinderen geboren. Ook ontstaat er een enorme arbeidsmigratie die door onderzoekers wel is getypeerd als ‘de nieuwe grote volksverhuizing’[6]. In Europa vullen migranten uit armere Oost-Europese landen de demografische tekorten aan in de rijkere landen, in Nederland trekken vooral jongeren uit het noorden, oosten en zuiden naar de Randstad. Daarbij is de stad duidelijk populairder dan het platteland, en ontstaat een versterking van de krimp op plekken waar die zich al ontwikkelt.

Daarom is krimp overal anders. Dat is goed zichtbaar in Europa[7]. In Oost-Europa zijn de gevolgen van krimp het grootst, in Scandinavië, de Alpenlanden en ook in Nederland lijkt het mee te vallen. Regio’s rondom grote steden scoren zonder uitzondering het best, terwijl het platteland leegloopt. Ook Nederland is opgedeeld in wat de Sociaal-Economische Raad noemt een ‘demografisch tweestromenland’[8]. In Limburg is de krimp het sterkst, vooral in het zuidoosten. Voor Heerlen is een krimp verwacht van tien procent. Provincies als Flevoland en Utrecht zullen voorlopig nog blijven groeien. Regionaal zijn er grote verschillen. In Groningen groeit de stad Groningen nog sterk, terwijl het noordoosten van de provincie al krimpt. In Zeeland groeien regio’s en steden als Kapelle, Tholen, Middelburg en Goes, terwijl Vlissingen, Terneuzen en Sluis al enkele jaren krimpen.

Krimp is niet te bestrijden

Krimp staat inmiddels op de agenda van rijk, provincies en gemeenten. Het jaar 2006 is wat dat betreft een keerpunt. De rapporten van Wim Derks, Peter Hovens en Leo Klinkers[9] en het toenmalige Ruimtelijk Planbureau[10] zetten de krimp in Nederland landelijk op de kaart. In hetzelfde jaar ontwikkelt de Europese Unie de eerste vingeroefeningen voor een Europees beleid ten aanzien van krimp[11]. 2009 is een tweede belangrijk jaar. Het Topteam Krimp, bestaande uit de voormalige bestuurders Hans Dijkstal en Jan Mans, maakt dan in opdracht van de rijksoverheid analyses van de verschillende krimpregio’s[12]. Tegelijkertijd publiceert de rijksoverheid alleen en in samenwerking met gemeenten en provincies studies over krimp[13]. In hetzelfde jaar organiseert de beroepsvereniging voor architecten BNA ontwerpateliers over krimp[14].

De RCE werkt nu ook al aan krimp. Op nationaal niveau doet de rijksdienst met Frank Altenburg mee aan de werkgroep Ruimte van het Nationale Netwerk Bevolkingsdaling, waarin rijk, provincies, gemeenten en andere partijen samenwerken. Truus Veldhuis van de RCE leverde bijdragen aan de totstandkoming van het Pro­vinciaal Actie­plan Bevolkingsdaling van provincie Groningen. En Lammert Prins en Peter Timmer maakten voor gemeente Dongeradeel een cultuurhistorische waardenanalyse als onderdeel van het ‘Aanvalsplan Krimp Holwerd’[15]. “Je kunt in dorpen cruciale plekken aanwijzen, karakteristieke gebouwen die lokaal belangrijk worden gevonden”, vertelt Prins. “Als je daarin investeert, heb je de meeste kans op meerwaarde en nieuwe impulsen.”

Over de relatie tussen krimp en erfgoed is nog weinig bekend. De combinatie van krimp en erfgoed blijkt uit de gesprekken nog onwennig. Krimpexperts weten vaak niet wat ze met het erfgoed moeten. Femke Verwest van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vreest dat de rijksdienst in de reflex zal schieten om erfgoed als een middel te beschouwen om krimp te bestrijden. “Ook bij erfgoed is de eerste reflex vaak om het als een middel te zien om krimp te bestrijden”, zegt Verwest. “Dat is niet zinvol.” Bestrijden van krimp kan niet, maakten Verwest en haar collega’s in 2010 duidelijk[16]. Het enige wat kan, is de krimp begeleiden.

Erfgoedexperts krijgen moeilijk een beeld van de rol die erfgoed speelt bij krimp. Er is nog maar weinig zicht op de gevolgen die de krimp heeft voor de monumenten, de archeologie en het cultuurhistorische landschap waar de RCE verantwoordelijk voor is. Er spelen allerlei kwesties naast de krimp. Bas Noorlander van de RCE noemt het verdwijnen van boerderijen als voorbeeld van een krimpende landbouw, terwijl daar ook ander problemen als bevolkingskrimp. Zijn collega Jon van Rooijen refereert aan de secularisatie. “Vanwege leegkomende kerken en kloosters versterkt dit de desolate gevolgen van krimp.” Ook is het niet helemaal duidelijk wat de rijksdienst kan doen in krimpregio’s, en welke strategische rol erfgoed kan spelen in die regio’s.

De onduidelijkheid is begrijpelijk als je kijkt naar de twee kwesties rondom krimp, die de RCE het meest raken. Enerzijds is er de vraag vanuit de rijksdienst of en hoe monumenten, archeologie of landschap door de krimp worden bedreigd. “Het gaat om de management of change“, zo beschrijft Frank Strolenberg van de RCE de gevolgen van krimp. “De verandering is groot, snel en diep.” Anderzijds is er de vraag hoe erfgoed een strategische rol kan spelen in de krimpregio’s. Dat is meer een kwestie van change of management, en de vraag hoe de RCE zich zou kunnen opstellen ten opzichte van dit nieuwe maatschappelijke fenomeen.

Ruimtelijke gevolgen krimp zijn beperkt

Er is nog weinig zicht op de gevolgen die krimp heeft op de monumenten, de archeologie en het landschap waarover de RCE gaat. Daarvoor is inzicht nodig in de ruimtelijke gevolgen van krimp, maar die zijn volgens het PBL nou juist beperkt[17]. De onderzoekers waarschuwen voor een fixatie op bevolkingsaantallen. Die zeggen weinig over de ruimtelijke ontwikkelingen. Bevolkingskrimp staat bijvoorbeeld niet per se gelijk aan een dalend aantal huishoudens. Welvaart en ruimtelijke ordening zijn belangrijker dan krimp. Het in kaart brengen van omvang van de bedreiging die krimp is voor erfgoed lijkt daarom een lastige opgave. Duidelijk is wel dat er bij de rol van erfgoed in krimpgebieden dus naast de demografie ook gekeken moet worden naar de regionale economie en ruimtelijke ordening.

Krimp biedt zelfs kansen, stelt het PBL, in de vorm van een ontspannen woningmarkt, een lagere milieudruk, minder files, en mogelijkheden voor natuurontwikkeling en landbouw. Maar zijn dat ook kansen voor het erfgoed? Het zijn juist de cultuurhistorisch minder interessante steden, dorpen, kernen en buurten die het eerst van de krimp te leiden hebben. Cultuurhistorisch aantrekkelijke steden en dorpen als Middelburg, Appingedam en Hulst scoren qua krimp aanmerkelijk beter dan nabije buren die minder aantrekkelijk zijn als Vlissingen, Delfzijl en Terneuzen. Wat is de rol van het erfgoed bij de herontwikkeling van de cultuurhistorisch niet erg gewaardeerde bebouwing van Delfzijl? Bij Vlissingen is er nog een historische binnenstad en een boulevard die potentie bieden.

Ook in het cultuurlandschap speelt deze kwestie. Volgens een studie in opdracht van het Wereld Natuur Fonds zal de landbouw op het Europese platteland rond 2030 drie tot vier procent van het landoppervlak verlaten hebben, een totaal areaal van 126.000 tot 168.000 vierkante kilometer[18]. Volgens de studie liggen daar kansen voor grootschalige en intensieve landbouw en natuurontwikkeling. In het oosten van Europa voorzien de onderzoekers een expansie van hele grootschalige landbouw. In het rijkere westen en noorden zien de natuurorganisaties ruimte voor natuurontwikkeling. Met subsidie van de Nationale Postcode Loterij werken de natuurorganisaties onder de slogan Rewilding Europe[19] aan een natuurontwikkeling van één miljoen hectare. De vraag is daarbij of dat leeglopende platteland erfgoed herbergt wat de moeite waard is om te beschermen, en of er überhaupt een opgave ligt vanuit het perspectief van erfgoed.

Onduidelijk is ook nog welke rol cultuurhistorie en erfgoed speelt bij de manier waarop krimp zich manifesteert in een gebied. Peter Timmer van de RCE merkt op dat er veel leegstand is in de terpdorpen in Noord-Friesland, terwijl dat volgens hem een gebied is dat misschien wel de hoogste dichtheid aan middeleeuwse kerken heeft ter wereld. Zijn collega Truus Veldhuis ziet in de Noord-Groningse wierdedorpen, die cultuurhistorisch minstens zo interessant zijn, echter nauwelijks zulke effecten van krimp. Timmer en Veldhuis zoeken de verklaring in de totaal verschillende culturen van de provincies Friesland en Groningen. Friesland is de provincie met eigenwijze en op zichzelf gerichte bewoners van veel relatief autonoom opererende steden en dorpen – elf steden en dertig grietenijen. In Groningen heb je ‘Stadjer’ en ‘Ommelaanders’, en is de stad Groningen het richtpunt voor de rest van de provincie. Daardoor is de infrastructuur en de cultuur in de loop van de geschiedenis zo gegroeid, dat het voor mensen die in Groningen wonen makkelijk wonen is aan bijvoorbeeld de Waddenkust.

Samenwerking is essentieel

De vraag hoe erfgoed een strategische rol kan spelen, leeft nog niet in de krimpregio’s. Men is daar vooral nog aan het onderzoeken hoe je krimp kunt begeleiden. Het blijkt nog moeilijk om niet in de door Verwest aangehaalde reflex te schieten om het verschijnsel te bestrijden. Dat is een mentale opgave die stedenbouwkundige Christine Hahn van gemeente Heerlen mooi verwoordt: “Krimp is samen het verlies delen. Dat is moeilijk.” Daarin zit zowel de tragiek als de strijdbaarheid besloten die in krimpregio’s zichtbaar is. Samenwerking is essentieel. In Groningen stimuleert de provincie gemeenten om samen te werken in regio’s als de Eemsdelta. Ook in Zeeland probeert de provincie gemeenten samen te laten werken. De idee erachter is dat krimp in een bredere context beter is te begeleiden.

In het noorden is erfgoed ook nog geen kwestie. “Erfgoed speelt nog niet”, stelt Coen Weusthuis. Hij begeleidt de ruimtelijke opgave die krimp oplevert in de regio Eemsdelta, een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Appingedam, Delfzijl, Eemsmond en Loppersum. “De regio heeft een kwantitatief vraagstuk, wat eventueel te ondervangen is door in kwaliteit te investeren. Eerst moeten we de problemen scherp krijgen, een gemeenschappelijke analyse die door alle regionale partijen wordt onderschreven. Pas daarna komt de slag van het programma naar de ruimtelijke invulling.”

Het organiseren van zo’n gezamenlijke aanpak blijkt in Zeeland echter nog moeilijk. “In Zeeuws Vlaanderen zijn drie gemeenten. Sluis loopt voorop, Terneuzen is vooral bezig met de stad zelf, en in Hulst gebeurt nauwelijks iets”, vertelt planoloog Léon Kaagman van Provincie Zeeland. “Veel gemeenten ontkennen de krimp ook of leggen het probleem bij de buren. Zo is er van Vlissingen naar Middelburg sprake van wat je ‘inwonerskannibalisme’ zou kunnen noemen.” Het cultuurhistorisch aantrekkelijke Middelburg trekt met zijn werkgelegenheid en voorzieningen inwoners uit Vlissingen. Terwijl samenwerking hier zo logisch zou zijn, met de korte afstanden.

In Heerlen is men het verst gevorderd. Stedenbouwkundigen René Roelofsen en Christine Hahn en monumentenambtenaar Fred Vondenhoff van gemeente Heerlen werken al zes jaar in het samenwerkingsverband van Parkstad Limburg. “Je basisgegevens vallen weg met krimp”, vertelt Roelofsen. “Alle bijdragen zijn op groei gebaseerd. En de kennis over krimp is heel beperkt.” Een van de opgaven in Parkstad Limburg is de sloop van twaalfduizend woningen. Kennis daarover moeten de Heerlense ambtenaren vooral uit het buitenland halen. Erfgoed is één van de factoren waar rekening mee wordt gehouden. Zo is kasteel Hoensbroek een belangrijk centrum voor de herstructurering van de omliggende wijken en het toegankelijk maken van de beekdalen in de buurt. Het verleden speelt een directe rol bij de samenvoeging en renovatie van de kleine mijnwerkerswoningen in de voormalige mijnkoloniën. De wijken Beersdal, Eikenderveld en Maria-Christinawijk zijn ook als beschermd stadsgezicht aangewezen. Dat blijken nog steeds aantrekkelijke woonmilieus.

Krimp zit niet tussen de oren

Krimp is een belangrijke maatschappelijke opgave, maar directe aanknopingspunten of opgaven zijn voor de RCE nog niet goed zichtbaar. Er zijn vooral vragen over de rol van erfgoed bij krimp. Eén ding is in de krimpgebieden wel duidelijk: verloedering is onacceptabel. “Ze vinden vooral de dicht getimmerde huizen erg”, vertelt Lammert Prins van de RCE, die voor Aanvalsplan Holwerd meewerkte aan het cultuurhistorische waardenanalyse. “Vanuit de praktijk van de leegstand zijn de monumenten voor ons een opgave, maar voor de bevolking is de verloedering het grootste probleem.”

Leegstand is dus alleen een optie als die netjes wordt begeleid. Daar kan een rol liggen voor de RCE, met de ervaring die de dienst heeft met herbestemming. “De vraag is of je direct alles moet ontwikkelen, of dat je kunt volstaan met inwateringsdoeken voor de kozijnen”, vraagt herbestemmingsexpert Machteld Linssen van de RCE zich af. “Dan kun je het later alsnog ontwikkelen.” Daar zou bijvoorbeeld een subsidieregeling op kunnen worden afgestemd.

De RCE kan ook helpen in het historisch bewustzijn van krimp, denkt hoogleraar Erfgoed en ruimte Hans Renes. Krimp is van alle tijden. Renes vertelt over de tijd dat de pest in de middeleeuwen zorgde voor krimp, of toen Enkhuizen rond 1650 van vijfentwintigduizend naar ruim vijfduizend inwoners kromp. “Met de pest in de middeleeuwen handhaafde Noordwest-Europa zich, maar liepen de middelgebergten leeg”, vertelt Renes. Toen was een afnemende bevolking meestal de reden voor het verhevigen van de concurrentiestrijd tussen steden, dorpen en regio’s.

Het nieuwe aan de huidige krimp is dat we die willen bestrijden. “Pas in de laatste anderhalve eeuw is het idee ontstaan dat je voor regio’s die economisch achterblijven beleid kunt maken”, stelt Renes. Vanaf ongeveer 1860 legde de rijksoverheid spoorlijnen naar Limburg en Groningen aan. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisden overheidsdiensten, de PTT ging bijvoorbeeld naar Groningen en het CBS naar Limburg. Economische politiek maakte deel uit van het rijksbeleid. Dat past in het idee van de maakbare samenleving. “Politici en bestuurders kunnen daar ook nu maar moeilijk afstand van nemen, want beleid is voor hen een legitimatie dat ze iets doen. Alleen zet de huidige regering in op puur marktdenken.”

Vanuit historisch perspectief lijkt krimp daarom vooral een mentale opgave, het samen delen van het verlies van Hahn. “Het probleem dat we krimp noemen zit voor een groot deel tussen onze oren”, schrijft hoogleraar Economische geografie Gert-Jan Hospers in zijn heldere boekje Krimp![20]. “Groei en krimp horen bij elkaar, maar door de onstuimige groei sinds de industriële revolutie zijn we dat vergeten.” Typerend hiervoor is de Krimpscan die adviesbureau Berenschot in 2009 maakte van de krimpregio’s[21]. Daaruit blijkt dat het wensbeeld van de betrokken bestuurders en ambtenaren ten aanzien van bijvoorbeeld voorzieningen, woningmarkt en werkgelegenheid meestal een veel hoger ambitieniveau had, dan wat er in de praktijk nu aanwezig is en wat verwacht mag worden in 2025. De betrokkenen lijken nog steeds in groei te geloven.

Zelfs in de krimpregio’s zit krimp nog niet tussen de oren. Volgens Kaagman van Provincie Zeeland is dat bij de ambtenaren van provincie en gemeenten meestal wel het geval, maar willen vooral de gemeentelijke bestuurders het nog niet zien. Dat is ook wel logisch, want het is moeilijk aan kiezers te verkopen dat ze samen het verlies moeten delen. Op provinciaal niveau en bij steden en grotere plattelandsgemeenten zit krimp beter tussen de oren. De provincie Zeeland is bezig met een bewustwordingscampagne, waarbij de uit het groeidenken voortkomende reflexen worden benoemd en weerlegd[22]. Limburg loopt voorop; in Parkstad Limburg is krimp zelfs de belangrijkste stedenbouwkundige opgave.

Ontwerpend onderzoeken naar lokale vitaliteit

Met krimp ontstaat er een andere ruimtelijke ordening. Hoogleraar Planologie Gert de Roo van de Rijksuniversiteit Groningen anticipeerde al in 2006 op krimp met zijn concept Lila (Living in Leisure-rich Areas)[23]. Daarin wordt Noord-Nederland beschouwd als de rustige contramal van de drukke Randstad, met een economie die is gericht op een aantrekkelijke omgeving om in te wonen, werken en te recreëren. De drie noordelijke provincies zouden zich kunnen ontwikkelen als ‘leisure-provincies’, waarin cultuurhistorie in de vorm van monumenten, oude steden en cultuurlandschappen een belangrijk pluspunt is.

Theo Hoek spreekt nu zelfs van een nieuw ruimtelijk paradigma. De voormalig provinciaal bouwmeester van Groningen is nu bij de provinciale welstands- en monumentenorganisatie Libau bezig om een team samen te stellen dat noordelijke gemeenten kan faciliteren in ruimtelijke ontwikkelingen. “De huidige ruimtelijke ordening is afgestemd op groei”, vertelt hij. “Bij krimp moet je in plaats van plannen maken, snappen hoe processen lopen en of je dat kunt regisseren. Wat we zoeken is de vitaliteit van een plek. Als die er is, kan dat een drager worden voor ruimtelijke ontwikkelingen.”

De aanpak van Hoek sluit goed aan bij de methode die de Nederlandse beroepsvereniging voor architecten BNA ontwikkelde tijdens een drietal ontwerpateliers over krimp[24]. “Het gaat om waardecreatie”, vertelt Jan van Dijk die het Ontwerplab Krimp vanuit de BNA begeleidde. In de ontwerpateliers werd gewerkt volgens de methode van ontwerpend onderzoek, waarbij kennis van diverse disciplines is ingezet, van landschapsarchitectuur tot economie. “Een gebouw moet ingebed zijn in een maatschappelijke, economische en cultuurhistorische context” legt Van Dijk uit. “Dat is ongelofelijk maatwerk.” Bij het ontwerpend onderzoek zette de BNA veel studenten in van universiteiten en hogescholen in de buurt van de krimpregio’s. Belangrijk, vindt Van Dijk, want daarmee bespaar je geld, en je zorgt dat de jeugd bewust wordt van de krimpproblematiek.

De cultuurhistorische waardenanalyse van de RCE in Holwerd sluit volgens Hoek en Van Dijk naadloos aan bij de zoektocht naar vitaliteit in een regio en het ontwerpend onderzoek. Ook daar ging het niet alleen om de gebouwen alleen, maar om de mensen die maken dat de gebouwen, dorpen en landschappen leven. In krimpgebieden gaat het volgens Hoek ook om het aantrekken van nieuwe mensen met creatieve ideeën. Hoek noemt als voorbeeld het initiatief van kunstenares Anne Hilderink om in het voormalig klooster van Kloosterburen een woonwerkgemeenschap te stichten van ouders met gehandicapte kinderen, met voorzieningen als een bibliotheek, een peuterspeelzaal, een theeschenkerij, een kunstatelier en een bakkerij. Van Dijk benadrukt echter dat de aanpak van krimp vooral gericht moet zijn op de inwoners van de krimpregio’s. Bij deze nieuwe aanpak past volgens Van Dijk ook een samenwerking met andere disciplines en sectoren. In de ontwerpateliers werkten ontwerpers van verschillende disciplines bijvoorbeeld samen met burgers, overheden en maatschappelijke instellingen op het gebied van wonen, werken, zorg en recreatie.

Krimp en de rijksdienst

Krimp is dus een verzameling van maatschappelijke processen die allerlei kanten op gaan met een resultaat dat er op de verschillende schaalniveaus anders uitziet. De RCE heeft op die processen wel aangrijpingspunten maar slechts een beperkte invloed. Om een beeld te krijgen wat de RCE zou kunnen doen is het hier interessant om een vergelijking te trekken tussen de RCE als rijksdienst en het PBL als planbureau. Beide organisaties hebben gemeen dat ze beleidsanalyses publiceren, de RCE elke vier jaar de Erfgoedbalans en het PBL jaarlijks de Balans van de leefomgeving. Het grote verschil is dat het planbureau een onafhankelijk beleidsadviserend instituut is, terwijl alle activiteiten van de RCE vallen onder de ministeriele verantwoordelijkheid. De traditie van het PBL om in de jaarlijkse Balans van de leefomgeving naast de gegevens ook duidelijke beleidsadviezen op te nemen, zoals de Natuurverkenning, lijkt daarom niet direct te passen bij de RCE. Toch klinken zowel binnen als buiten de dienst geluiden dat de rijksdienst ook een meer beleidsadviserende rol op zich kan nemen. De Erfgoedbalans zou dan ook meer beleidsadviserend zijn, en misschien valt er wel te denken aan een Erfgoedverkenning. Daarin zouden actuele maatschappelijke kwesties als de bevolkingskrimp of het klimaatvraagstuk meegenomen kunnen worden.

Een andere kwestie die zowel binnen als buiten de rijksdienst speelt, is de kwestie van financiering in tijden van krimp. Veel medewerkers van de dienst vinden dat de huidige subsidies voor erfgoed niet aansluiten op dergelijke maatschappelijke kwesties. “De subsidies zijn volgend en objectgericht”, vindt Peter Nijhof van de RCE. In Groningen is de kanjersubsidie voor de restauratie van rijksmonumenten in zijn geheel naar de restauratie van de voormalige strokartonfabriek De Toekomst in Oldambt gegaan. Voor een project dat inspeelt op problemen die door krimp worden veroorzaakt, zoals dat in Kloosterburen, is geen geld. Terwijl daar nou juist met weinig geld veel kan worden bereikt, denkt Hoek.

“De subsidies zouden gebiedsgericht moeten worden georganiseerd”, vindt Nijhof. “Je zou subsidies kunnen gebruiken om te sturen”, vult collega Linssen aan. “Je moet kijken waar geldstromen elkaar kunnen versterken. Je moet geld met geld maken.” Prins en Timmer noemen als voorbeeld de koppeling tussen monumentenzorg en stadsvernieuwing. “De vier procent die was gereserveerd voor erfgoed, leverde daar elf procent meer aan investeringen op”, weet Timmer. Het is zoeken naar aansluiting bij beleid van andere overheden, stelt ook Van Rooijen. “In de jaren negentig bepaalde de gemeente waar de subsidies voor erfgoed aan besteed moesten worden via zogenaamde meerjarenprogramma’s. Zij konden zo geldstromen koppelen aan eigen, gebiedsgerichte aanpak en programma’s. Die regelingen zijn gecentraliseerd en sterk aan objecten gebonden. Het lijkt erop dat men daar nu op terug gaat komen.”

Anticiperen op krimp

De rol die de RCE kan spelen ten aanzien van krimp wordt op twee manieren uitgelegd. “Moet de RCE wel een visie op krimp hebben?”, vraagt Prins zich af met een blik op het door de politiek bepaalde rijksbelang van de dienst. Een tweede daarop volgende vraag zou kunnen luiden: moet je überhaupt wel wat met erfgoed doen in krimpgebieden? Erfgoedhoogleraar Renes vindt echter dat de RCE heel goed kan anticiperen op krimp. Eigenlijk had de dienst dat al moeten doen toen in de jaren zeventig veel kerken en kloosters leeg kwamen te staan. “Een gemiste kans”, vindt Renes. De RCE staat voor de zorg voor het erfgoed, en is daarom verantwoordelijk voor een goede begeleiding van dat erfgoed als de maatschappij verandert. Ook bij krimp.

De RCE zal dus een rol kunnen spelen in de begeleiding van de opgaven die zich in de krimpregio’s manifesteren. Daarover zijn zowel de meeste krimpexperts als de erfgoedexperts het wel eens. “Krimp is een kans als je het ziet als een brede ontwikkeling waar de cultuurhistorie een deel van vormt”, stelt Noorlander. “Je kunt het een kans maken, door in te zetten op toekomstbestendig vormgeven.” Uit de gesprekken komt een beeld naar voren van een rijksdienst die in de diverse overheidslagen allianties zoekt en kennis uitwisselt. “We moeten intern kennis en krachten bundelen tussen onderzoek en wettelijke taken”, stelt Linssen. “Zo kunnen we de erfgoedinspecteurs en de consulenten gebruiken als zoekmachine voor oplossingen en als ideeëngenerator. Wat je als RCE kunt doen, is inspiratie halen uit het verleden, een spiegel voorhouden aan de maatschappij”, vindt Van Rooijen. “Gaan we het NAi worden voor erfgoed? Het Nationaal Instituut voor het Cultureel Erfgoed, dat de discussie stimuleert en organiseert.”

Op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau zien de mensen uit de krimpregio’s de rijksdienst vooral in een ondersteunende rol. Dat kan door op nationaal niveau te onderzoeken wat de gevolgen van krimp voor erfgoed zijn. Hoek noemt als voorbeeld het ontwerpend onderzoek dat Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes in 2009 deed naar een nationaal plan voor de windenergie[25]. Hij roemt daarbij vooral de manier waarop het rijk met de provinciale bouwmeesters en ontwerpers samenwerkten om een nationaal vraagstuk op provinciaal niveau in te passen. Juist dankzij de regionale kennis en ontwerpdeskundigheid lukte het volgens Hoek om het nationale vraagstuk – het landschappelijk inpassen van honderden nieuwe windmolens – uit te werken in plannen die passen bij de cultuur van provincie en regio.

Ook de manier waarop de RCE in Holwerd onderzoek deed naar de vitale punten in krimpregio’s wordt door velen gezien als een interessant aanknopingspunt voor de begeleiding van krimp. Daarbij zou de dienst samenwerking kunnen zoeken bij initiatieven in de krimpregio’s, zoals het onderzoek van provincie Zeeland naar de kleuren die staan voor het Zeeuwse DNA[26]. Zulke onderzoeken kunnen als input dienen voor krimpregio’s om zich te profileren en om de bevolking bij de krimp te betrekken. Inmiddels is de RCE bezig met een vervolg. Het project Experiment Duurzame Beschermde Dorpsgezichten Dongeradeel omvat een cultuurhistorische verkenning van de vier beschermde dorpsgezichten Holwerd, Ee, Metslawier en Moddergat. Daarin wordt ook een agenda verwerkt, om te zorgen dat er ook concrete projecten worden gestart met de opgedane kennis.

Nieuwe allianties

Er is in de krimpregio’s veel behoefte aan kennis over erfgoed. Dat kan de traditionele erfgoedkennis zijn, zoals het waardenstellend onderzoek, of de kennis die de rijksdienst heeft op het gebied van de gebiedsgerichte ontwikkeling van erfgoed en de herbestemming van bijvoorbeeld voormalige fabrieken, boerderijen en militaire terreinen. Daarbij is er vooral behoefte aan nieuwe instrumenten, financieel en beleidsmatig, die dingen mogelijk maken in de krimpregio’s. Veel genoemd is de financiële en projectmatige kennis bij de non-profit organisatie BOEi die zich bezig houdt met de herbestemming van industrieel erfgoed op diverse plekken in Nederland[27].

De RCE kan ook zoeken naar nieuwe gesprekspartners bij de provinciale en regionale overheden en organisaties. Nu zijn vooral gemeenten de gesprekspartners van de medewerkers van de RCE, maar voor krimp zijn het nu vooral provincies en regio’s die de regie op zich nemen. Bij de provincies zijn er al contacten, met ervenconsulenten en provinciale erfgoedinstellingen als Libau, en die kunnen worden uitgebreid en verstevigd. Bovendien heeft de provincie Zeeland plannen voor een provinciaal kenniscentrum over krimp.

Er zijn ook nieuwe allianties denkbaar. Van Dijk noemt de onderwijsinstellingen die de BNA gebruikte voor het Ontwerplab Krimp. Van Dijk is tegenwoordig voorzitter van de Brabant Academy[28], een provinciaal platform waar mensen uit het bedrijfsleven, het onderwijs en de overheid initiatieven ontplooien om maatschappelijke kwesties, zoals de krimp, aan te pakken. Het gaat daarbij net als in de ontwerpateliers over samenwerking tussen verschillende disciplines en sectoren, van erfgoed tot economie. “De vraag is of je het lef hebt om verder te gaan dan je eigen grenzen”, stelt Van Dijk ten aanzien van de rol van de RCE. “Ben je daar als organisatie institutioneel voor geëquipeerd? Je ziet dat de zorg zich anders organiseert, bijvoorbeeld in zorgcoöperaties. Vanuit het erfgoed moet je komen tot een definitie van de maatschappelijke relevantie van erfgoed, en dat gaan kapitaliseren.”

Noten

[1] Ik heb dit essay geschreven in opdracht van Henk Baas en Frank Altenburg van de RCE.

[2] Ik wil graag de volgende mensen danken voor hun informatie: Machteld Linssen, Peter Nijhof, Bas Noorlander, Lammert Prins, Jon van Rooijen, Frank Strolenberg, Peter Timmer, Judith Toebast en Truus Veldhuis (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), Frank van Dam en Femke Verwest (Planbureau voor de Leefomgeving), Hans Renes (Universiteit Utrecht en Vrije Universiteit), Christine Hahn, René Roelofsen en Fred Vonderhoff (Gemeente Heerlen), Léon Kaagman (Provincie Zeeland), Theo Hoek (Libau), Coen Weusthuis (Weusthuis en Partners), Jan van Dijk (architect AvB-BNA, voorzitter Brabant Academy).

[3] Wim Derks, Peter Hovens & Leo Klinkers, Structurele bevolkingsdaling – Een urgente nieuwe invalshoek voor beleidsmakers, februari 2006. Regioplan Beleidsonderzoek, Verkenning Rijksagenda Krimp en Ruimte, juni 2009.

[4] Europese Commissie, De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?, oktober 2006.

[5] Wim Derks, Peter Hovens en Leo Klinkers, Structurele bevolkingsdaling, 2006.

[6] Berlin Institute for Population and Development, Europe’s Demographic Future – Growing Imbalances, november 2008.

[7] Berlin Institute for Population and Development, Europe’s Demographic Future – Growing Imbalances, november 2008.

[8] SER, Ontwerpadvies bevolkingskrimp – Benoemen en benutten, januari 2011. Regioplan Beleidsonderzoek, Verkenning Rijksagenda Krimp en Ruimte, juni 2009.

[9] Wim Derks, Peter Hovens en Leo Klinkers, Structurele bevolkingsdaling, 2006.

[10] Frank van Dam, Carola de Groot en Femke Verwest, Krimp en ruimte, 2006.

[11] Europese Commissie, De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?, oktober 2006.

[12] Topteam Krimp, Krimp als structureel probleem – Rapportage Topteam Krimp voor Parkstad Limburg, september 2009, Topteam Krimp, Krimp als structureel probleem – Rapportage Topteam Krimp voor Groningen, november 2009, Topteam Krimp, Consequenties van demografische ontwikkelingen in Zeeland – Rapportage Topteam Krimp voor Zeeland, oktober 2009.

[13] Regioplan Beleidsonderzoek, Verkenning Rijksagenda Krimp en Ruimte, juni 2009, Rijk, IPO & VNG, Krimpen met kwaliteit – Interbestuurlijk actieplan bevolking, 2009.

[14] BNA, Ruimte maken voor krimp – Ontwerpen voor minder mensen, 2009.

[15] Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, Aanvalsplan krimp Holwerd, februari 2010.

[16] Planbureau voor de Leefomgeving, Van bestrijden naar begeleiden: demografische krimp in Nederland, 2010.

[17] Planbureau voor de Leefomgeving, Van bestrijden naar begeleiden: demografische krimp in Nederland – Beleidsstrategieën voor huidige en toekomstige krimpregio’s, februari  2010.

[18] Institute for European Environmental Policy, Farmland Abandonment in the EU: an Assessment of Abandonment in the EU: an Assessment of Trends and Prospects, november 2010.

[19] Wereld Natuur Fonds, Wild Wonders of Europe en ARK Nature, Rewilding Europe, www.rewildingeurope.com

[20] Gert-Jan Hospers, Krimp!, SUN, 2010.

[21] Berenschot, Krimpscan Groningen, Limburg en Zeeland, 2009.

[22] Provincie Zeeland, Op pad! – Reflexen doorbreken om te kunnen anticiperen op de demografische veranderingen in Zeeland, september 2009, Provincie Zeeland, Het Routepad! – Plan van aanpak voor de gevolgen van de demografische veranderingen in Zeeland 2010-2012, november 2010.

[23] Gert de Roo en Evelien Hermans, LILA en de planologie van de contramal – De ruimtelijk-economische ontwikkeling van Noord-Nederland krijgt een eigen kleur, Assen, 2006.

[24] BNA, Ruimte maken voor krimp – Ontwerpen voor minder mensen, 2009.

[25] Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes, Windmolens hebben landschappelijk verhaal nodig, december 2009.

[26] Provincie Zeeland, Zeeland DNA Boek, december 2009.

[27] www.boei.nl

[28] www.brabantacademy.nl

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.