Bettina Bock: ‘Krimp is een Europees probleem’

Nederland heeft een hoogleraar die zich bezig gaat houden met de problematiek van de bevolkingskrimp. Bettina Bock vindt dat de krimp nu nog teveel als een probleem van de krimpgebieden en -provincies wordt gezien. Zij pleit voor internationale samenwerking voor het creëren van veerkracht die nodig is om met burgerparticipatie de krimpgebieden levendig en interessant te houden.

Landwerk december 2015

Bettina Bock is per 1 september bij de Rijksuniversiteit Groningen aangesteld als bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland. De Wageningse ruraal socioloog deed veel onderzoek naar plattelandsvernieuwing en burgerparticipatie in een Europese context. De komende vijf jaar zal Bock een dag per week besteden aan onderzoek naar de bevolkingskrimp, een van de grootste problemen van Noord-Nederland, maar ook van Zuid-Limburg, Zeeuws Vlaanderen of delen van de Achterhoek.

In de afgelopen tien jaar is de bevolkingskrimp uitgegroeid van een probleem van het buitenland, met het beeld van een leeglopend platteland waar complete dorpen te koop staan, naar een binnenlands probleem waar we ons in Nederland eigenlijk nog niet veel raad mee weten. In eerste instantie was de reactie dat de krimp bestreden moest worden, maar het bleek al snel dat een autonome ontwikkeling moeilijk te sturen is. Tegenwoordig is de bevolkingskrimp de verantwoordelijkheid van de provincies.

Vinger wijzen

“De krimp is niet overal hetzelfde”, benadrukt Bock. “Groningen heeft alleen krimpregio’s, Drenthe alleen anticipeerregio’s en in Friesland zitten zowel krimp- als anticipeerregio’s.” De Noordelijke Rekenkamer oordeelde in september dan ook kritisch op het beleid dat de drie noordelijke provincies voerden. Volgens de rekenkamer werkt de provincie Groningen met adviesbureaus aan plannen voor afzonderlijke gebieden, die afwisselend succesvol en minder succesvol zijn, gebeurt er in Drenthe gebeurt er eigenlijk bijna niets, en heeft provincie Fryslân wel veel beleidsdocumenten en overlegstructuren maar ontbreekt het aan regie.

Het is volgens Bock te makkelijk om de vinger te wijzen naar de noordelijke provincies als de schuldige voor het ontbreken van een samenhangend krimpbeleid. “Je ziet dat krimpgebieden steeds meer losgekoppeld raken van de rest van de samenleving. Doordat een gebied als krimpgebied wordt gepresenteerd, is het de verantwoordelijkheid van de krimpprovincie of de krimpgemeente geworden. Het lijkt net alsof het zo los komt te staan van de rest van de samenleving: wij groeien, jullie krimpen, en daar moeten jullie iets aan doen. Maar groei en krimp maken deel uit van dezelfde ontwikkeling, een autonome of in ieder geval historisch gegroeide ontwikkeling.”

‘Krimpprofessor’

Volgens Bock verklaren we tegenwoordig fenomenen die we in Noord-Nederland, Zuid-Limburg en Zeeuws Vlaanderen zien, ook veel te makkelijk als het resultaat van de bevolkingskrimp. “Het is altijd zo geweest dat jongeren zich ergens anders willen vestigen. In Groningen komen heel veel jongeren van het platteland voor hun studie, maar die trekken daarna verder. Groningen is een eerste stap. Dat heeft niets te maken met het feit dat Groningen geen leuke stad is, maar dat Amsterdam de wereldstad is. Bovendien zijn heel veel banen ook in het westen te vinden.”

Dantumadeel: ooievaar te huur, honden te koop, stro te koop

Dantumadeel: ooievaar te huur, honden te koop, stro te koop

In de media werd Bock al ‘de eerste krimpprofessor’ genoemd, maar Bock waarschuwt er juist voor dat we het probleem van de krimpende gebieden in Nederland niet kunnen loskoppelen van de groeiende gebieden. “Er moet een meer integraal beleid komt, geen apart beleid voor krimp en voor groei, voor stad en voor platteland. Het is niet iets dat mensen in krimpgebieden deden, waardoor ze krimpen. Dat er elk jaar tienduizend nieuwe mensen in Amsterdam komen wonen, geeft ook problemen. En ooal neemt de bevolking in krimpgebieden af, toch kunnen we die gebieden niet zomaar afschrijven. Daarvoor is het platteland veel te mooi en belangrijk.”

Burgerparticipatie

De nationale overheid heeft – ongewild of ongepland – een belangrijke invloed op het alledaagse leven in de krimpgebieden. In Europa ziet Bock daar grote verschillen tussen. “In Denemarken gaat het Rijk nu diensten in de regio vestigen. Nederland is daarmee juist gestopt. Zo zie je dat een autonome ontwikkeling door beleid versterkt wordt. Als Philips uit Emmen verdwijnt, is dat een ramp. Maar Emmen kan niet concurreren met lagelonenlanden als Pakistan of Polen, gezien onze arbeidswetgeving en ons economisch beleid.”

Dat de Nederlandse overheid tegenwoordig sterk opgeeft over burgerparticipatie als een oplossing, daarover is Bock niet onverdeeld gelukkig. “Burgerparticipatie is mooi, maar wat als het niet lukt. Waar wil je dan heen met het platteland op de langere termijn. Je moet vooral vooruit kijken. Nu speelt het probleem van de veroudering. Veel mensen worden ouder dan 65 jaar. Dan kunnen ze nog best wel voor zichzelf zorgen, maar als die mensen 85 worden, wat dan?”

Veerkracht belangrijk voor burgerparticipatie

Bock is ook kritisch over de manier waarop burgerparticipatie wordt ingezet. “Ze zeggen altijd dat burgerparticipatie belangrijk is voor de veerkracht. Ik zie het liever andersom, dat veerkracht belangrijk is voor de burgerparticipatie. Als je zegt dat het afhangt van burgerparticipatie, dan zeg je ook dat het aan de mensen zelf ligt als het niet lukt. Je zult dan ook hulp en geld moeten aanbieden, en je hebt daarbij heel vaak procesbegeleiding nodig. Zodat het de competitie tussen de dorpen overstijgt. Niet elk dorp kan het zelf oplossen, anders was er niets aan de hand. Ik zeg: we moeten toe naar samenwerking. Daaronder versta ik ook dat je gezamenlijk een identiteit verkent.”

Bock wijst daarbij op allerlei nieuwe initiatieven en samenwerkingsverbanden in andere sectoren als de landbouw, zoals de coöperaties op het gebied van energie en zorg. Die ontstaan niet alleen op het platteland maar ook in de steden. “Je ziet een heropstanding van de coöperatieve beweging. Energiecoöperaties zijn het meest duidelijk, bijvoorbeeld in steden. Sommige zitten op het platteland en sommige zoeken naar de verbinding met steden. Bij Vandebron kun je zelf kiezen welke boer je energie gaat leveren. Je ziet ook dorpen die collectief alle energie produceren die ze nodig hebben.” Daar wordt al onderzoek naar gedaan, dat interessant is voor de krimpregio’s, vertelt Bock. Zo trekt Tine de Moor van Universiteit Utrecht in het project Institutions for Collective Action vergelijkingen tussen oude vormen van samenwerking als gilden en coöperaties en de huidige praktijk.

‘Multisided belonging’

Bovendien wil Bock graag dat mensen over de grenzen van gebieden, regio’s, provincies en landen heen kijken. “Een ander idee dat ik wil verkennen, is kijken naar internationale gebieden. Als je de grenzen weg denkt, zijn veel krimpgebieden niet meer perifeer. Dat blijkt wel succesvol in Zeeland en Vlaanderen, al blijven de taalgrens en de wederzijdse herkenning van diploma’s wel een probleem, vooral als het gaat om diploma’s voor middelbaar en hoger onderwijs. Je merkt aan allerlei dingen – de infrastructuur, de taal, het onderwijs, de zorg – dat de grens er is, maar daar valt veel aan te doen. Competitie heb je bovendien ook tussen landen. Eigenlijk is krimp dus een Europees probleem.”

Ook als het gaat om de lokale identiteit wil Bock graag breder kijken dan naar het dorp of een gebied. “Nu is het beleid vooral gericht op bewoners, niet op de mensen met een tweede huis, de immigranten of de mensen die weggaan. Die horen er niet bij. Maar mensen voelen zich vaak verbonden met meerdere plekken; ‘multisided belonging’ heet dat.” Er zijn mensen die hun hele leven in een gebied hebben gewoond, maar er zijn ook mensen die na een leven in het westen terugkeren naar het noorden om groter en rustiger te wonen. Daarnaast heb je de nieuwkomers, de seizoenarbeiders of andere import.

Profiteren van nieuwkomers

Krimpgebieden kunnen profiteren van de nieuwe energie die nieuwkomers of terugkerende oud-bewoners meenemen. “Het platteland ontvangt vaak nieuwkomers die niet alleen het initiatief nemen, maar ook toegang bieden tot veel nieuwe contacten, onder andere in steden. Daardoor krijgen krimpgebieden weer opnieuw verbinding, via bezoekers van buiten en via mensen die weggaan. Die voelen zich vaak verbonden met waar ze vandaan komen.” Mooi voorbeeld hiervan is Wongema, een café, buurthuis, werkplek en tijdelijk onderkomen voor de culturele sector in Hornhuizen dat grafisch ontwerper Erik Wong realiseerde. Jaarlijks hoogtepunt is hier het aardappelfeest, dat niet alleen dorpsbewoners en mensen uit de regio maar ook Amsterdammers naar Hornhuizen trekt.

Op een vergelijkbare manier kun je volgens Bock kijken naar de nieuwe instroom van arbeiders uit Oost-Europa. “Polen die in Limburg werken nemen ook weer iets mee terug. Zo worden er nu asperges geteeld in Polen. Mensen sturen vaak geld naar de familie thuis. Het investeren van dit geld in de opbouw van de economie aldaar, zou je beleidsmatig kunnen ondersteunen.”

Gevoel van machteloosheid

In die zin kan krimp dus ook tot positieve ontwikkelingen leiden. “Krimp zorgt in heel veel gebieden voor nieuwe ontwikkelingen. Mensen komen in actie. Dat is ontzettend inspirerend. Maar er zijn ook veel mensen die zich zorgen maken over hoe het nu verder gaat. Mensen voelen een dreiging, en hebben het idee in de steek gelaten te worden. Niet iedereen durft bovendien het heft in eigen hand te nemen. Dan hou je een gevoel over dat het je overkomt, een gevoel van machteloosheid over de reorganisatie van de welvaartstaat en het verlies van allerlei voorzieningen.”

Dantumadeel in 2002: bakker te koop

Dantumadeel in 2002: bakker te koop

Volgens Bock kunnen we bij de aanpak van krimp leren van de aanpak van de plattelandsvernieuwing in de jaren negentig, die toen vooral op de landbouw was gericht. Het is tijd om problemen in sectoren als landbouw of onderwijs te koppelen aan verduurzaming in sectoren als bijvoorbeeld energie of zorg. “Zoals het nu is georganiseerd is ook niet altijd goed. Als je een dorpsschool hebt met acht kinderen, dan is het toch beter om samen met andere dorpen een nieuwe school op te zetten? Ik sprak onlangs met iemand van een woningbouwvereniging, en die vertelde dat ze bij het verminderen van het aantal woningen die woningen tegelijkertijd verbeteren en verduurzamen. Zo maak je een kwaliteitsslag.”

Veerkracht herstellen

Daarbij moeten we oppassen dat we de krimpgebieden niet gaan stigmatiseren, vindt Bock. “Er dreigt een toenemende tweedeling te ontstaan tussen daar waar het niet lukt en daar waar het wel lukt. Gebieden als Noordoost-Groningen en de Veenkoloniën, daar is het niet sinds gisteren moeilijk. Dat heb je dan ook niet in één dag opgelost. Het zijn vaak gebieden met een accumulatie van problemen, precies het omgekeerde van een accumulatie van rijkdom. Dat vergt tijd en ondersteuning om de veerkracht van deze gebieden te herstellen, terwijl dat eigenlijk niet meer van deze tijd is. De welvaartstaat wordt immers gereorganiseerd.”

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.